Wet DBA en schijnzelfstandigheid: kennisdocument voor de organisatie
Wat de Wet DBA en schijnzelfstandigheid inhouden, hoe de wetgeving zich ontwikkelt, en hoe HeadFirst Group hiermee omgaat
Inleiding
Dit document is bedoeld als basis voor iedereen binnen HeadFirst Group die met de inzet van zelfstandige professionals (zzp'ers) te maken krijgt — ook als je niet uit de branche komt. We leggen eerst de basisbegrippen uit, dan de actuele stand van de wetgeving, en daarna hoe HeadFirst Group hier in de praktijk mee omgaat.
Een belangrijke waarschuwing vooraf: dit onderwerp is volop in beweging. Wetten die op het moment van schrijven nog "in voorbereiding" zijn, kunnen tegen de tijd dat jij dit leest al zijn aangenomen, aangepast, of van de baan zijn. Dit document geeft een actueel overzicht, maar is geen juridisch advies en vervangt niet de meest recente interne werkinstructies of het advies van Legal. Bij twijfel over een specifieke situatie: raadpleeg altijd de laatste versie van de interne richtlijnen of Legal.
Na het doornemen van dit document kun je:
- uitleggen wat de Wet DBA is en wat schijnzelfstandigheid betekent;
- de actuele stand van de handhaving door de Belastingdienst benoemen;
- het verschil tussen de Vbar, het rechtsvermoeden en de Zelfstandigenwet uitleggen;
- de belangrijkste toetsingscriteria voor zelfstandigheid herkennen;
- het beoordelingsproces van HeadFirst Group bij de inzet van zzp'ers beschrijven.
1. Wat is de Wet DBA en wat is schijnzelfstandigheid?
De Wet DBA (Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) bestaat sinds 2016. De wet zelf regelt vooral iets organisatorisch: zij schafte de oude VAR-verklaring af (een soort vrijwaringsbewijs dat zzp'ers vroeger konden aanvragen) en gaf de Belastingdienst de bevoegdheid om achteraf te controleren of iemand terecht als zelfstandige werkt. Een belangrijk misverstand: de Wet DBA zelf bevat geen duidelijke, harde criteria voor wanneer iemand wél of niet als zelfstandige mag werken. Die criteria komen uit de rechtspraak (zie hoofdstuk 4).
Schijnzelfstandigheid betekent: iemand werkt op papier als zelfstandig ondernemer (met een eigen bedrijf, facturen, een overeenkomst van opdracht), maar in de praktijk is de manier van werken bijna niet te onderscheiden van die van een gewone werknemer. Denk aan iemand die alleen voor één opdrachtgever werkt, zich moet houden aan vaste werktijden, rechtstreeks aangestuurd wordt door een leidinggevende, en geen enkel ondernemersrisico loopt.
Waarom is dit een probleem? Als er sprake is van schijnzelfstandigheid, dan is er feitelijk sprake van een arbeidsovereenkomst — ook al staat er "overeenkomst van opdracht" op papier. Dat heeft gevolgen voor:
- de opdrachtgever: mogelijke naheffing van loonbelasting en sociale premies, en eventueel een boete;
- de zelfstandige: die mist in die situatie mogelijk rechten die bij een gewone dienstbetrekking horen (zoals pensioenopbouw of cao-bescherming), en kan ook zelf met een herbeoordeling van eigen aangiften te maken krijgen;
- HeadFirst Group als intermediair: reputatieschade en het risico dat wij klanten niet goed hebben geadviseerd.
2. De actuele stand van de handhaving
Lange tijd gold er een handhavingsmoratorium: de Belastingdienst mocht de Wet DBA wel toepassen, maar deed dat in de praktijk bijna niet, behalve bij opzettelijke kwade wil. Dat zorgde voor een soort stilzwijgende ruimte, waarin veel organisaties zzp'ers inzetten zonder dat er acuut risico op een naheffing was.
Dat is voorbij. Op 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium opgeheven. Sindsdien geldt:
- De Belastingdienst controleert weer actief op schijnzelfstandigheid, onder andere via bedrijfsbezoeken.
- Bij een geconstateerde schijnzelfstandigheid kan een naheffing van loonbelasting en premies worden opgelegd, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025 (en verder terug bij opzet).
- In 2025 werden nog geen boetes opgelegd (een zogeheten "zachte landing"), wel was er belastingrente verschuldigd over de naheffing.
- Vanaf 1 januari 2026 kunnen ook vergrijpboetes worden opgelegd, bij opzet of grove schuld — dit geldt voor zowel de opdrachtgever als de zelfstandige zelf. Gewone verzuimboetes (voor eenvoudige fouten, zonder opzet) worden in 2026 nog niet opgelegd; die "zachte landing" is voor dat onderdeel deels verlengd.
Kortom: het risico is sinds 2025 stap voor stap groter geworden, en zal dat blijven worden. Wachten tot er "duidelijke wetgeving" is, is geen veilige strategie — de huidige regels worden al gehandhaafd.
3. De wetgeving in beweging: Vbar, het rechtsvermoeden en de Zelfstandigenwet
Dit is het onderdeel waar de meeste verwarring over bestaat, ook binnen de branche zelf. Er zijn namelijk meerdere wetsvoorstellen tegelijk in behandeling geweest, die deels zijn samengevoegd, deels weer gesplitst. Onderstaand een uitleg in begrijpelijke stappen.
Wat is de Vbar?
De Vbar (Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden) is een wetsvoorstel dat op 7 juli 2025 door het (toenmalige) kabinet bij de Tweede Kamer is ingediend. Het doel: een duidelijker wettelijk kader geven voor de vraag wanneer iemand een zelfstandige is en wanneer een werknemer. De Vbar bestond oorspronkelijk uit twee delen:
- Een toetsingskader met tien criteria, verdeeld in twee categorieën (kenmerken die wijzen op werknemerschap, zoals inhoudelijke of organisatorische aansturing; en kenmerken die wijzen op zelfstandig ondernemerschap, zoals het lopen van eigen risico).
- Een rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag uurtarief: werkt iemand voor minder dan een bepaald bedrag per uur (het exacte bedrag verschilt licht per bron, rond de €36-€38), dan mag die persoon er in eerste instantie vanuit gaan dat er een arbeidsovereenkomst is. De opdrachtgever moet dan zelf aantonen dat dit niet zo is.
Wat is er veranderd?
In maart 2026 heeft het kabinet besloten om het eerste deel (het toetsingskader) uit de Vbar te schrappen. De reden: dit onderdeel zorgde voor te veel onrust en werd door velen als strenger ervaren dan de bestaande rechtspraak. Het kabinet wilde juist laten zien dat werken met zzp'ers, binnen de bestaande regels, prima mogelijk blijft.
Het tweede deel (het rechtsvermoeden) is wél doorgezet, maar dan als een apart, zelfstandig wetsvoorstel: de Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief. Dit wetsvoorstel heeft op 16 juni 2026 de Eerste Kamer gehaald, en het kabinet streeft naar publicatie ervan (formeel: in het Staatsblad) uiterlijk 31 augustus 2026. Dit rechtsvermoeden wordt dus wél op korte termijn wet.
Wat komt in plaats van het geschrapte toetsingskader?
In plaats van het toetsingskader uit de Vbar moet de Zelfstandigenwet het nieuwe, wettelijke beoordelingskader gaan vormen. Deze wet was oorspronkelijk een initiatiefwetsvoorstel van Tweede Kamerleden van VVD, D66, CDA en SGP, en is in een Kamerbrief van april 2026 door het kabinet omarmd als de opvolger van het geschrapte Vbar-toetsingskader. De Zelfstandigenwet werkt met twee toetsen:
- De zelfstandigentoets: gaat over de zelfstandige zelf. Gedraagt deze persoon zich als ondernemer? Zoekt hij of zij zelf opdrachten, bepaalt hij of zij de eigen prijzen, is er iets geregeld voor arbeidsongeschiktheid en pensioen?
- De werkrelatietoets: gaat over de relatie met de opdrachtgever. Is er sprake van een gezagsrelatie (moet de zelfstandige doen wat de opdrachtgever zegt, op de manier die de opdrachtgever wil), of is er echt sprake van een zelfstandige uitvoering?
Belangrijk: de Zelfstandigenwet is, op het moment van schrijven, nog niet formeel ingediend bij de Tweede Kamer. De exacte inhoud en invoeringsdatum staan dus nog niet vast. Er wordt uitgegaan van een beoogde invoering rond 1 januari 2028, maar dit kan wijzigen.
Samengevat: de tijdlijn
| Wanneer | Wat |
|---|---|
| 2016 | Wet DBA treedt in werking, vervangt de VAR |
| 2016 – 31 december 2024 | Handhavingsmoratorium: nauwelijks actieve handhaving |
| 1 januari 2025 | Handhavingsmoratorium vervalt; actieve handhaving en naheffingen mogelijk |
| 7 juli 2025 | Vbar-wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer (toetsingskader + rechtsvermoeden) |
| 1 januari 2026 | Vergrijpboetes (bij opzet/grove schuld) worden mogelijk naast naheffingen |
| Maart 2026 | Kabinet schrapt het toetsingskader-deel van de Vbar |
| 16 juni 2026 | Eerste Kamer stemt in met het rechtsvermoeden als apart wetsvoorstel |
| Uiterlijk 31 augustus 2026 | Beoogde publicatie van het rechtsvermoeden in het Staatsblad |
| Rond 1 januari 2028 (nog niet vastgesteld) | Beoogde invoering van de Zelfstandigenwet als nieuw toetsingskader |
Wat betekent dit voor nu? Zolang de Zelfstandigenwet er niet is, wordt de vraag of iemand terecht als zelfstandige werkt nog steeds beoordeeld op basis van de Wet DBA in combinatie met de rechtspraak van de Hoge Raad — zie het volgende hoofdstuk. Zodra het rechtsvermoeden wet is (verwacht na de zomer van 2026), komt daar een extra element bij voor zelfstandigen met een laag uurtarief.
4. Het huidige toetsingskader: de Deliveroo- en Uber-criteria
Omdat de Wet DBA zelf geen harde criteria geeft, en de Zelfstandigenwet er nog niet is, wordt de beoordeling nu gedaan op basis van twee bekende uitspraken van de Hoge Raad: het Deliveroo-arrest (over maaltijdbezorgers die als zzp'er werkten) en het Uber-arrest (over taxichauffeurs). Deze uitspraken geven een set kenmerken waarmee alle feiten en omstandigheden samen worden gewogen — er is dus geen enkel kenmerk dat op zichzelf de doorslag geeft.
De belangrijkste vragen die hierbij worden gesteld:
- Is er sprake van leiding en toezicht? Bepaalt een manager wat, wanneer en hoe het werk moet worden uitgevoerd? (Instructies over het te behalen eindresultaat mogen wel, aanwijzingen over de manier van werken wijzen eerder op een dienstverband.)
- Zijn de werkzaamheden ingebed in de organisatie? Worden dezelfde werkzaamheden ook door mensen in loondienst gedaan? Is de organisatie afhankelijk van dit werk om te kunnen functioneren?
- Is er een verplichting om het werk persoonlijk uit te voeren?, of mag de zelfstandige zich laten vervangen door iemand anders?
- Hoe lang duurt de opdracht, en hoe gebruikelijk is die duur? Een opdracht die al jarenlang doorloopt, lijkt meer op een vaste functie.
- Loopt de zelfstandige ondernemersrisico? Heeft hij of zij ook andere opdrachtgevers, eigen investeringen, eigen gereedschap, en het risico om niet betaald te worden bij ziekte?
- Bepaalt de organisatie de werktijden en -locatie?, en wordt er bijvoorbeeld een overwerkvergoeding betaald (dat wijst op een dienstverband)?
Als op meerdere van deze punten het antwoord wijst richting een dienstverband, is de opdracht in principe niet geschikt om door een zelfstandige te laten uitvoeren. Er is geen checklist die 100% zekerheid geeft — het gaat om de weging van alle omstandigheden samen, en soms kan één bijzondere omstandigheid (bijvoorbeeld een sterk vertraagd project) een langere duur toch rechtvaardigen.
5. HeadFirst Group: beleid en beoordelingsproces
HeadFirst Group heeft een intern beleid en beoordelingsproces ontwikkeld om de inzet van zelfstandigen op een consistente manier te toetsen. Onderstaand de kern van dat beleid; voor de meest actuele werkinstructies en tools verwijzen we naar de interne documentatie.
Wie wordt als zelfstandige beschouwd?
- Zzp'ers (zelfstandigen zonder personeel).
- DGA's (directeur-grootaandeelhouders) — ook als de eigen BV van de DGA personeel in dienst heeft, valt de DGA zelf onder de Wet DBA zolang hij of zij zichzelf inzet. Een BV-structuur betekent dus niet automatisch dat er geen sprake kan zijn van (schijn)zelfstandigheid.
- Maten in een maatschap.
Basisprincipe: het inhuren van zelfstandigen blijft mogelijk
Het vervallen van het handhavingsmoratorium en de nieuwe wetgeving betekenen niet dat zzp'ers niet meer ingezet mogen worden. De inzet van iemand die echt zelfstandig ondernemer is, blijft volledig mogelijk en compliant.
Is de opdracht geschikt voor een zelfstandige?
Voordat een aanvraag wordt uitgezet, wordt beoordeeld of de opdracht zich wel leent voor uitvoering door een zelfstandige. Kernvragen (gebaseerd op de Deliveroo/Uber-criteria uit hoofdstuk 4):
- Zijn de werkzaamheden ingebed in de organisatie, en worden ze ook door eigen medewerkers gedaan?
- Is er sprake van leiding en toezicht over de manier van werken?
- Moet de zelfstandige het werk persoonlijk uitvoeren?
- Is het een langdurige opdracht (doorgaans 2 jaar of langer)?
- Beschikt de organisatie zelf al over de benodigde kennis of vaardigheden?
- Worden werktijden en -locatie door de organisatie bepaald, en wordt er overwerk vergoed?
Als één of meerdere van deze vragen met "ja" beantwoord worden, is de aanvraag in principe niet geschikt voor een zelfstandige — al blijft het altijd een afweging van alle omstandigheden samen.
Opdracht- en resultaatomschrijving
Een goede, schriftelijke omschrijving is essentieel en moet door de klant worden aangeleverd. Deze bevat:
- Opdrachtomschrijving: welke activiteiten voert de zelfstandige uit, en wat is het doel?
- Resultaatomschrijving: welke concrete resultaten moet de zelfstandige opleveren? Zodra het resultaat is behaald, is de opdracht ten einde.
- Vereiste vaardigheden en ervaring: welke kennis, tools, certificaten of opleiding zijn nodig?
- Nadrukkelijk geen leiding en toezicht: instructies mogen alleen over het eindresultaat gaan, niet over de manier van werken.
Maximale opdrachtduur
Het uitgangspunt van HeadFirst Group is dat een opdracht maximaal 2 jaar mag duren, met uitzonderingen:
- als vooraf duidelijk en gemotiveerd is omschreven dat het om een langlopend project gaat;
- bij vervanging tijdens ziekte of zwangerschap geldt juist een kortere periode, nooit 2 jaar;
- bij inzet tijdens piekwerkzaamheden moet goed naar de omstandigheden gekeken worden, maar ook dan mag de opdracht niet te lang duren.
Het beoordelingsproces (het "stappenplan")
Om de bestaande inzet van zelfstandigen consistent te beoordelen, hanteert HeadFirst Group een stappenplan:
- Overzicht maken van de zzp-populatie per klant, met behulp van een intern afwegingsbestand.
- Elke zzp-inzet individueel beoordelen op basis van dat afwegingskader en het HeadFirst Group-beleid. Dit levert een classificatie op:
- Rood: de inzet kan in de huidige vorm niet worden voortgezet.
- Oranje: de inzet kan in de huidige vorm niet worden voortgezet, maar mogelijk wel na verduidelijking of aanpassing van de situatie.
- Groen: voortzetting is mogelijk; wel moet gecontroleerd worden of het dossier compleet is.
- Het resultaat bespreken met de klant. Bij rode en oranje inzetten worden mogelijke alternatieven besproken, bijvoorbeeld: vervanging door een andere vorm van inhuur, aanpassing van de contractvorm (bijvoorbeeld in dienst bij de klant of bij een detacheerder), of een andere constructie zoals een Statement of Work.
Dit proces wordt uitgevoerd door de Account Director of Accountmanager, samen met de MSP-consultant, ondersteund waar nodig door de contractmanager. Bij twijfel is Legal beschikbaar voor advies. Belangrijk hierbij: de Belastingdienst kijkt naar de feitelijke situatie op de werkvloer — niet naar wat er op papier staat. Bewustwording bij alle partijen in de keten (klant, HeadFirst Group, de zelfstandige) is dus essentieel.
6. Waarom dit voor ons relevant is
- Adviesrol richting klanten: klanten verwachten van ons dat we hen goed informeren over wat nu, en in de nabije toekomst, wel en niet mogelijk is met zelfstandige inzet.
- Financieel risico: schijnzelfstandigheid kan leiden tot naheffingen (en sinds 2026 mogelijk boetes) bij de klant — en indirect bij ons als intermediair, als blijkt dat wij hier niet adequaat op hebben geadviseerd.
- Continuïteit van dienstverlening: een zelfstandige inzet die niet compliant is, kan gedwongen (soms abrupt) moeten worden aangepast of beëindigd — dat raakt zowel de klant als de zelfstandige zelf.
- Reputatie: als serieuze, gecertificeerde intermediair (zie ook de kennisdocumenten over SNA en Bovib) is het cruciaal dat wij zelf het goede voorbeeld geven in hoe met deze regelgeving wordt omgegaan.
- Continu bewegend speelveld: omdat de wetgeving nog in ontwikkeling is, moet dit onderwerp met enige regelmaat opnieuw onder de aandacht worden gebracht — wat vandaag klopt, kan over een half jaar zijn aangepast.
7. Begrippenlijst
| Begrip | Uitleg |
|---|---|
| Wet DBA | Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (2016) — geeft de Belastingdienst de bevoegdheid om arbeidsrelaties te beoordelen, maar bevat zelf geen harde criteria. |
| Schijnzelfstandigheid | Situatie waarin iemand op papier als zelfstandige werkt, maar de praktijk kenmerken van een gewone dienstbetrekking vertoont. |
| Handhavingsmoratorium | De periode (2016 – eind 2024) waarin de Belastingdienst de Wet DBA in de praktijk nauwelijks handhaafde, behalve bij opzettelijke kwade wil. |
| Naheffing | Het achteraf alsnog moeten betalen van loonbelasting en premies, wanneer blijkt dat iemand feitelijk als werknemer werkte. |
| Vergrijpboete | Een boete die (vanaf 2026) kan worden opgelegd bij opzet of grove schuld, naast een naheffing. |
| Vbar | Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden — wetsvoorstel uit juli 2025; het toetsingskader-deel is in 2026 geschrapt, het rechtsvermoeden-deel is als apart wetsvoorstel doorgezet. |
| Rechtsvermoeden (op basis van uurtarief) | Het wettelijk vermoeden dat een zelfstandige met een laag uurtarief (rond de €36-€38) een arbeidsovereenkomst heeft; de opdrachtgever moet dit vermoeden dan zelf weerleggen. |
| Zelfstandigenwet | Beoogde nieuwe wet (nog niet ingediend, verwacht rond 2028) die het toetsingskader van de Vbar moet vervangen, met een zelfstandigentoets en een werkrelatietoets. |
| Deliveroo-arrest / Uber-arrest | Uitspraken van de Hoge Raad die de huidige praktische criteria geven voor het onderscheid tussen zelfstandige en werknemer. |
| Gezag / leiding en toezicht | De mate waarin een opdrachtgever bepaalt wat, wanneer en hoe het werk wordt uitgevoerd — een belangrijke aanwijzing voor een dienstverband. |
| Ondernemersrisico | Het risico dat een zelfstandige zelf draagt, zoals het risico op niet-betaling, eigen investeringen, en het ontbreken van doorbetaling bij ziekte. |
| Ondernemerscheck | Interne toets om vast te stellen en te onderbouwen dat een zelfstandige zich daadwerkelijk als ondernemer gedraagt. |
Meer informatie
Dit document is geen juridisch advies. Voor de meest actuele interne werkinstructies, het afwegingsbestand en overige documentatie: raadpleeg de interne kennisbank. Bij twijfel over een specifieke situatie of casus: neem contact op met Legal. Voor de laatste stand van de wetgeving: de website van de Rijksoverheid en de Belastingdienst, en vakpublicaties zoals ZiPconomy.